10-14 scholen

Een interessant experiment, maar niet radicaal genoeg.

Dat het Nederlandse onderwijs een ongelijkheidsprobleem kent is bekend. De Onderwijsinspectie kaart dit probleem al jaren aan. Het is geen uniek Nederlands probleem. Als je namelijk naar de internationale vergelijkingstesten van PISA kijkt, is dit in de meeste landen het geval. Wel is het zo dat Nederland niet bijzonder goed scoort. Zo zijn de prestaties van leerlingen uit de laagste sociale klasse tussen 2009 en 2018 achteruitgegaan, terwijl die uit de hoogste sociale klassen constant bleven. 

Het proberen waard

Wat zijn de oorzaken van dit relatief slecht presteren van ons onderwijssysteem op ongelijkheid? En wat kunnen we eraan doen? Hiervoor is het moeilijk een simpel antwoord te vinden, maar één van de zaken die opvallen in het Nederlands onderwijs is de vroege selectie van leerlingen in groep 8. Het is dan ook aannemelijk dat dit tenminste een deel van de verklaring voor de relatief grote ongelijkheid is. 10-14-onderwijs is een poging om de doorstroming tussen primair- en secundair onderwijs te stroomlijnen en de experimenten zijn dus het proberen waard.

Een wettelijk kader

In een recent rapport spreekt de Onderwijsinspectie haar zorgen uit over de 10-14-scholen. Dit doet zij op basis van onderzoek naar 12 van de 28 bestaande initiatieven. In het bijzonder zijn de kwaliteitszorg - vooral het opvolgen van resultaten - en duidelijk doelen stellen een probleem. Het is dan ook wenselijk dat er een wettelijk kader komt voor deze onderwijsvorm. De Onderwijsinspectie vraagt hier terecht om, zodat zij haar werk effectief kan uitvoeren.

Er zijn nog twee andere opmerkingen te maken bij de 10-14-scholen:

1. De plannen zijn niet radicaal genoeg

Ten eerste zijn deze initiatieven nog wat timide wat betreft het doorbreken van de vroege selectie. Als je bijvoorbeeld kijkt naar de landen in Europa waar de relatie tussen sociale klasse en lesprestaties lager is dan in Nederland, komen daar in de eerste plaats de Scandinavische landen en Engeland. Wat al deze landen gemeen hebben is dat selectie hier veel later gebeurt (meestal pas op 15 of 16-jarige leeftijd). Natuurlijk kan men beargumenteren dat de lagere ongelijkheid in de Scandinavische laden een gevolg is van de relatief lage sociale ongelijkheid, maar in Engeland is die sociale ongelijkheid juist groter dan in Nederland. Misschien zijn dus experimenten met een radicalere aanpak wenselijk.

2. Dalende ongelijkheid komt niet alleen door vroege selectie

Ten tweede is het zo dat de stijgende ongelijkheid in het Nederlandse systeem niet alleen een gevolg kan zijn van de vroege selectie. De vroege selectie is namelijk niet plots tussen 2009 en 2018 ingevoerd. De groeiende ongelijkheid gaat namelijk samen met in het algemeen dalende prestaties. Hier is ook iets opmerkelijks aan de hand. Wat we zien is dat in de landen waar vooruitgang te zien is ingezet is op een goed gestructureerd en kennisrijk curriculum, een goede lerarenopleiding, een leraargestuurde didactiek en meting van de leeruitkomsten (Crato, 2019). Vooral op het gebied van het curriculum en de lerarenopleiding valt in het Nederlands onderwijs nog wel heel wat te verbeteren. 

Het is daarom goed dat de inspectie zich over de kwaliteit van 10-14 initiatieven wil buigen, maar daarnaast moet ook naar andere dingen gekeken worden: een sterk, kennisgericht curriculum, gedegen didactiek en het opvolgen van het leren in de school. Alleen dan zal het Nederlandse onderwijs verbeteren en de stijgende ongelijkheid aangepakt kunnen worden. 

 

Professor dr. Daniel Muijs

Prof. Dr. Daniel Muijs

Dean School of Education and Society